En weet u wat het ergste is?
Ik had net de nieuwe Harry Potter van vriendin I. geleend en was al een heel stuk, op bladzijde tweehonderdnogwat.
En nu mag ik van mijn griep niet verder lezen...
dinsdag, september 11, 2007
Het is officieël.
Wat begon als een simpel verkoudheidje, iets meer hoesten dan gemiddeld, iets vaker van zakdoek wisselen, is nu uitgegroeid tot een full blown epidemic, met spierkrampen, hoofdpijn, koorts, koude- dan wel warme rillingen, huilbuien en niet te vergeten een verschrikkelijk slecht humeur.
woensdag, september 05, 2007
Wie A zegt...
Lyka rijdt paard.
Sinds kort pas, ze heeft voor de zomer wat proeflesjes gedaan, vond het leuk, en ik schafte een mooie meisjeskleurige rijbroek en dito laarzen aan en maakte een afspraak voor een kwartaal uitproberen vanaf augustus.
De manege zit bij ons achter, heerlijk dichtbij dus.
Alleen... Lyka woont in de andere Grote Stad, bij haar vader en stiefvader, en alleen om het andere weekend bij mij.
Aldus bedachten wij de volgende oplossing.
Op woensdag ben je, als basisschoolmeisje, vroeg klaar.
We verzetten dus die les naar woensdag en dan haal ik je de ene week op en rij heen en weer naar de paarden en de andere week neemt je stiefvader met je de trein en de bus om bij de stallen uit te komen.
Heel praktisch allemaal.
De les ging goed, ze wist nog wat ze die maanden geleden had gedaan en hobbelde niet van het paard af in draf. Ik ondertekende een machtiging om de manege een groot deel van mijn maandinkomen te geven en alles was in kannen en kruiken.
Tot wij de weg weer opgingen op weg naar het huis in de Andere Stad.
Om kwart voor vier.
Op een snelweg in de Randstad.
Moet ik het nog verder vertellen of zegt u, dat snap ik wel.
Een uur in de file naar haar huis en drie kwartier om weer terug bij mijn eigen huis te komen. Hier moet duidelijk een andere oplossing voor worden gezocht. iets makkelijks, wat minder duur was dan ruim anderhalf uur file rijden, en ook vooral minder lang zou duren. Iets met helicopters, prive jets, of iets anders snels.
Volgende maand wordt Lyka negen.
Negen lijkt me een hele mooie leeftijd om door je moeder op de trein gezet te worden en er door je vader weer te worden afgehaald...
Sinds kort pas, ze heeft voor de zomer wat proeflesjes gedaan, vond het leuk, en ik schafte een mooie meisjeskleurige rijbroek en dito laarzen aan en maakte een afspraak voor een kwartaal uitproberen vanaf augustus.
De manege zit bij ons achter, heerlijk dichtbij dus.
Alleen... Lyka woont in de andere Grote Stad, bij haar vader en stiefvader, en alleen om het andere weekend bij mij.
Aldus bedachten wij de volgende oplossing.
Op woensdag ben je, als basisschoolmeisje, vroeg klaar.
We verzetten dus die les naar woensdag en dan haal ik je de ene week op en rij heen en weer naar de paarden en de andere week neemt je stiefvader met je de trein en de bus om bij de stallen uit te komen.
Heel praktisch allemaal.
De les ging goed, ze wist nog wat ze die maanden geleden had gedaan en hobbelde niet van het paard af in draf. Ik ondertekende een machtiging om de manege een groot deel van mijn maandinkomen te geven en alles was in kannen en kruiken.
Tot wij de weg weer opgingen op weg naar het huis in de Andere Stad.
Om kwart voor vier.
Op een snelweg in de Randstad.
Moet ik het nog verder vertellen of zegt u, dat snap ik wel.
Een uur in de file naar haar huis en drie kwartier om weer terug bij mijn eigen huis te komen. Hier moet duidelijk een andere oplossing voor worden gezocht. iets makkelijks, wat minder duur was dan ruim anderhalf uur file rijden, en ook vooral minder lang zou duren. Iets met helicopters, prive jets, of iets anders snels.
Volgende maand wordt Lyka negen.
Negen lijkt me een hele mooie leeftijd om door je moeder op de trein gezet te worden en er door je vader weer te worden afgehaald...
Er is er een jarig, deel 2.
Dat ik hem dan moest herinneren dat uit eten ook wel leuk zou zijn, en eigenlijk voornamelijk praktisch omdat ik het heel druk en weinig zin had dus dat van koken toch niet veel bijzonders zou komen, ach bijzaak.
Er is er een jarig, hoera hoera.
Nanne had ontbijt op bed voor mij!
Met wel tien theetjes om uit te kiezen, en beschuitjes en jam en meer van dat al.
Zo af en toe is ouder worden best fijn.
Met wel tien theetjes om uit te kiezen, en beschuitjes en jam en meer van dat al.
Zo af en toe is ouder worden best fijn.
maandag, augustus 27, 2007
Dal.
Wij wonen in een grote galerijflat. Alleen al het stuk van ons huis tot de lift delen wij met zes andere buren, en na de lift komen er nog zeven.
Een galerijflat is een wonderlijk iets.
Na anderhalf jaar ken je de gezichten van een paar buren, en zelfs na vier jaar weet je nauwelijks wie er aan de andere kant van de lift wonen. Veertien verdiepingen, veertien huizen per verdieping. Maar, van ons 'stukje' kennen we nu toch wat namen. Van op de hoek, R. en M., en van daarnaast, M. en N.
Die laatste zijn aan het verhuizen. Iets met financien, en wanbetaling en ruzie met de verhuurder. Voor morgenochtend tien uur moeten ze eruit. Nanne is ze helpen het huis leeg te halen. Alles gaat in de opslag, zij naar een vriend en daarna in een caravan tot ze met de schuldsanering en bewindvoerder iets geregeld hebben.
Eigenlijk hadden we een avondje thuis gepland, maar Nanne, hulpvaardig als hij is, vroeg zich af wat wij zouden willen 'als het ons zou gebeuren.'
Mijn eerste reactie was: "Dat gebeurt ons niet."
Goed, het is een gegeven dat ik niet geweldig ben met geld. Af en toe lopen we ergens wat achter, of koop ik van de creditcard iets op internet waar we eigenlijk het geld niet voor hebben. Zo heel af en toe legen we de spaarpot om brood te kopen, omdat het salaris nog in de kruispost tussen de betaal- en de boodschappenrekening zit. Maar nog nooit had ik de deurwaarder op mijn dak. Af en toe een herinnering misschien, of wat aanmaningskosten omdat de administratie een rommeltje was. Maar uit huis gezet worden? Dat nooit.
Ooit las ik een onderzoek. De meeste klanten van de schuldsanering zijn tweeverdieners die boven hunn stand leven. Geen bijstandsmoeders met een krediet om de schoenen van de kinderen te financieren, maar de leasebak rijders met een lening bij 'goedkoper vind je nergens' en 'badkamer.goodkoop.nl'.
Ik was een bijstandsmoeder. Nu ja, een WAO-moeder. Ik had weinig geld, maar kwam ervan rond. Liep achter, at droog brood, werkte wat bij en liep weer gelijk.
Is 'dat gebeurt ons niet' al te makkelijk gezegd?
Ben ik anders omdat ik denk te weten hoe de wereld in elkaar zit?
Omdat ik weliswaar aankopen doe van geld wat nog moet gaan komen, maar dat dan ook weer braaf terugbetaal?
Misschien wel helemaal niet.
Misschien ben ik wel net zo hypocriet als al die andere 'rijken', de zogezegd ruimdenkenden, de burgerlijken, die neerkijken op alles wat niet sparen kan.
Is 'leen dan niet' niet wat al te kort door de bocht?
Maar toch, als ik naar de buren kijk dan ben ik trots.
Trots omdat ik, wij, ondanks alles, nooit zover gekomen zijn.
En omdat ik, ondanks, of misschien wel, dankzij alles, heilig geloof dat we er nooit zullen belanden...
Een galerijflat is een wonderlijk iets.
Na anderhalf jaar ken je de gezichten van een paar buren, en zelfs na vier jaar weet je nauwelijks wie er aan de andere kant van de lift wonen. Veertien verdiepingen, veertien huizen per verdieping. Maar, van ons 'stukje' kennen we nu toch wat namen. Van op de hoek, R. en M., en van daarnaast, M. en N.
Die laatste zijn aan het verhuizen. Iets met financien, en wanbetaling en ruzie met de verhuurder. Voor morgenochtend tien uur moeten ze eruit. Nanne is ze helpen het huis leeg te halen. Alles gaat in de opslag, zij naar een vriend en daarna in een caravan tot ze met de schuldsanering en bewindvoerder iets geregeld hebben.
Eigenlijk hadden we een avondje thuis gepland, maar Nanne, hulpvaardig als hij is, vroeg zich af wat wij zouden willen 'als het ons zou gebeuren.'
Mijn eerste reactie was: "Dat gebeurt ons niet."
Goed, het is een gegeven dat ik niet geweldig ben met geld. Af en toe lopen we ergens wat achter, of koop ik van de creditcard iets op internet waar we eigenlijk het geld niet voor hebben. Zo heel af en toe legen we de spaarpot om brood te kopen, omdat het salaris nog in de kruispost tussen de betaal- en de boodschappenrekening zit. Maar nog nooit had ik de deurwaarder op mijn dak. Af en toe een herinnering misschien, of wat aanmaningskosten omdat de administratie een rommeltje was. Maar uit huis gezet worden? Dat nooit.
Ooit las ik een onderzoek. De meeste klanten van de schuldsanering zijn tweeverdieners die boven hunn stand leven. Geen bijstandsmoeders met een krediet om de schoenen van de kinderen te financieren, maar de leasebak rijders met een lening bij 'goedkoper vind je nergens' en 'badkamer.goodkoop.nl'.
Ik was een bijstandsmoeder. Nu ja, een WAO-moeder. Ik had weinig geld, maar kwam ervan rond. Liep achter, at droog brood, werkte wat bij en liep weer gelijk.
Is 'dat gebeurt ons niet' al te makkelijk gezegd?
Ben ik anders omdat ik denk te weten hoe de wereld in elkaar zit?
Omdat ik weliswaar aankopen doe van geld wat nog moet gaan komen, maar dat dan ook weer braaf terugbetaal?
Misschien wel helemaal niet.
Misschien ben ik wel net zo hypocriet als al die andere 'rijken', de zogezegd ruimdenkenden, de burgerlijken, die neerkijken op alles wat niet sparen kan.
Is 'leen dan niet' niet wat al te kort door de bocht?
Maar toch, als ik naar de buren kijk dan ben ik trots.
Trots omdat ik, wij, ondanks alles, nooit zover gekomen zijn.
En omdat ik, ondanks, of misschien wel, dankzij alles, heilig geloof dat we er nooit zullen belanden...
dinsdag, augustus 21, 2007
Vragen staat vrij.
In het kader van 'De brutalen hebben de halve wereld', 'Vragen staat vrij' en 'Nee heb je en ja kun je krijgen' schreef ik een email aan mijn oude psycholoog.
Ik ben al een tijdje niet meer onder behandeling bij iemand en beschouw mezelf als redelijk normaal.
Nu schrijf ik haar een keer in de zoveel tijd een emailtje met een update en kom wat op de thee om bij te kletsen. Ze vertelt over haar man en zwangerschap en ik wat over de hond en de verloving en we hebben het samen erg gezellig.
Maar van de laatste enthousiatse reactie op mijn vraag 'Heb je binnenkort tijd voor thee' raakte ik toch wat in de war.
Hoe zit dat, met vriendschap?
Gebeurt dat zomaar?
Hoe bouw je dat op eigenlijk?
Is dit wel vriendschap, of is dit gewoon 'ik vind het interessant om te weten hoe het met mijn ex patienten gaat'?
Kan je uberhaupt een vriendschap hebben met een (ex)patient?
Ik, die door de jaren heen diverse vrienden had maar die, op een paar uitzonderen na, eigenlijk allemaal via mijn partner of mijn vereniging kwamen, heb eigenlijk helemaal niet zo'n idee hoe men dat doet, vrienden maken.
Ik ben van het 'ik zie wel' type, wat afwacht tot de ander belt. Wat heel naar is, want als je zelf niet belt, gaat de ander je dus echt niet bellen.
Niet dat ik een tekort heb aan vrienden hoor, of aan mensen om me heen. Ik onderhoud ze alleen niet zo goed.
Ik werd heel onzeker van mijn aankomende bezoek aan K.
Kon ik dat wel vragen , van die thee?
En als ik dat kan, kan ik dan ook de volgende keer om thee in de stad vragen? Of kraamvisite? Of is dat niet gepast voor ex-patienten?
Dus schreef ik een brief.
Naast de brieven die ik ooit schreef om aan diverse mannen duidelijk te maken dat ik ze weliswaar heel lief vond maar toch geen relatie met ze wilde was dit toch wel de moeilijkste brief in tijden.
Wat was de basisschool toch makkelijk, toen je nog gewoon kon vragen 'wil jij mijn vriendinnetje zijn' en je verder nergens over na hoefde te denken. En hoe zet je dat in hemelsnaam om in woorden?
Hoe leg ik uit dat ik duidelijkheid wil, dat ik van haar een antwoord wil om mijn eigen onzekerheid te sussen, omdat ik daar zo slecht tegen kan. Dat ik bang ben te veel te vragen, te ver te gaan, of, aan de andere kant, een potienteel prettige vriendschap te beeindigen nog voor hij is begonnen.
Ik wil grenzen, duidelijkheid, een marge waartussen ik mij op het relationele vlak kan bewegen.
Bij voorkeur iets als 'een keer in de twee weken thee' of 'om de dag bellen', maar dat kan nu eenmaal niet.
In deze wereld wordt tachtig procent van het leven geleid door non-verbale communicatie en verborgen agenda's, of mensen dat nu doorhebben of niet. En ik ben daar zeer slecht in.
Ik schreef haar, nee, vroeg haar, of ze mij kon vertellen waar onze relatie -als heb al zo genoemd kan worden- heen ging. Of ze bezwaar zou hebben tegen 'meer', alhoewel ik niet goed kan aangeven wat ik met dat 'meer' dan precies bedoel. Eigenlijk vroeg ik dus of ze voor mij, in dit ene geval, de lijntjes wil schetsen waartussen ik mag kleuren. Om mij een plezier te doen, om me minder onzeker te maken. Met het risico dat ik met deze brief zo brutaal overkom dat ik de eventueel oogluikende relatie teniet zou doen. Maar ik wil het zo graag weten.
Ik heb geen idee of ze antwoord geeft.
Of wat dat antwoord dan zou zijn.
En of ik daar blij mee zou zijn, of zelfs maar minder onzeker.
Vragen staat vrij.
Maar goed dat ik de email nog niet verstuurd heb...
Ik ben al een tijdje niet meer onder behandeling bij iemand en beschouw mezelf als redelijk normaal.
Nu schrijf ik haar een keer in de zoveel tijd een emailtje met een update en kom wat op de thee om bij te kletsen. Ze vertelt over haar man en zwangerschap en ik wat over de hond en de verloving en we hebben het samen erg gezellig.
Maar van de laatste enthousiatse reactie op mijn vraag 'Heb je binnenkort tijd voor thee' raakte ik toch wat in de war.
Hoe zit dat, met vriendschap?
Gebeurt dat zomaar?
Hoe bouw je dat op eigenlijk?
Is dit wel vriendschap, of is dit gewoon 'ik vind het interessant om te weten hoe het met mijn ex patienten gaat'?
Kan je uberhaupt een vriendschap hebben met een (ex)patient?
Ik, die door de jaren heen diverse vrienden had maar die, op een paar uitzonderen na, eigenlijk allemaal via mijn partner of mijn vereniging kwamen, heb eigenlijk helemaal niet zo'n idee hoe men dat doet, vrienden maken.
Ik ben van het 'ik zie wel' type, wat afwacht tot de ander belt. Wat heel naar is, want als je zelf niet belt, gaat de ander je dus echt niet bellen.
Niet dat ik een tekort heb aan vrienden hoor, of aan mensen om me heen. Ik onderhoud ze alleen niet zo goed.
Ik werd heel onzeker van mijn aankomende bezoek aan K.
Kon ik dat wel vragen , van die thee?
En als ik dat kan, kan ik dan ook de volgende keer om thee in de stad vragen? Of kraamvisite? Of is dat niet gepast voor ex-patienten?
Dus schreef ik een brief.
Naast de brieven die ik ooit schreef om aan diverse mannen duidelijk te maken dat ik ze weliswaar heel lief vond maar toch geen relatie met ze wilde was dit toch wel de moeilijkste brief in tijden.
Wat was de basisschool toch makkelijk, toen je nog gewoon kon vragen 'wil jij mijn vriendinnetje zijn' en je verder nergens over na hoefde te denken. En hoe zet je dat in hemelsnaam om in woorden?
Hoe leg ik uit dat ik duidelijkheid wil, dat ik van haar een antwoord wil om mijn eigen onzekerheid te sussen, omdat ik daar zo slecht tegen kan. Dat ik bang ben te veel te vragen, te ver te gaan, of, aan de andere kant, een potienteel prettige vriendschap te beeindigen nog voor hij is begonnen.
Ik wil grenzen, duidelijkheid, een marge waartussen ik mij op het relationele vlak kan bewegen.
Bij voorkeur iets als 'een keer in de twee weken thee' of 'om de dag bellen', maar dat kan nu eenmaal niet.
In deze wereld wordt tachtig procent van het leven geleid door non-verbale communicatie en verborgen agenda's, of mensen dat nu doorhebben of niet. En ik ben daar zeer slecht in.
Ik schreef haar, nee, vroeg haar, of ze mij kon vertellen waar onze relatie -als heb al zo genoemd kan worden- heen ging. Of ze bezwaar zou hebben tegen 'meer', alhoewel ik niet goed kan aangeven wat ik met dat 'meer' dan precies bedoel. Eigenlijk vroeg ik dus of ze voor mij, in dit ene geval, de lijntjes wil schetsen waartussen ik mag kleuren. Om mij een plezier te doen, om me minder onzeker te maken. Met het risico dat ik met deze brief zo brutaal overkom dat ik de eventueel oogluikende relatie teniet zou doen. Maar ik wil het zo graag weten.
Ik heb geen idee of ze antwoord geeft.
Of wat dat antwoord dan zou zijn.
En of ik daar blij mee zou zijn, of zelfs maar minder onzeker.
Vragen staat vrij.
Maar goed dat ik de email nog niet verstuurd heb...
Op tijd.
De zon ging onder in een roodgouden gloed en ik reed met een mooie jongen de vergetelheid tegemoet.
De zon ging op in een zilveren wereld en ik rekte me uit bij vogelenzang.
Het was midden op de dag en ik speelde met de kinderen in de speeltuin.
En de telefoon ging. Of het alarm. Nee, de wekker..
Waar de droom precies over ging of wat voor doel zij had is me totaal onduidelijk.
Waarom ik zo belachelijk vroeg opsta om mijn vereniging een plezier te doen al evenmin...
De zon ging op in een zilveren wereld en ik rekte me uit bij vogelenzang.
Het was midden op de dag en ik speelde met de kinderen in de speeltuin.
En de telefoon ging. Of het alarm. Nee, de wekker..
Waar de droom precies over ging of wat voor doel zij had is me totaal onduidelijk.
Waarom ik zo belachelijk vroeg opsta om mijn vereniging een plezier te doen al evenmin...
maandag, augustus 20, 2007
Moederlijkheid.
Ons pupje werd zes maanden en moest gesteriliseerd.
Of nu ja, gecastreerd, daar geen dierenarts doet aan 'echt' steriliseren en maar meteen de hele mikmak verwijdert.
Ik bracht haar om elf uur, en haalde haar al om twee uur weer op. Waar mijn andere honden ietwat suf waren sprong ons meisje direct tegen ons op en ook van enige misselijkheid met eten bleek ze geen last te hebben. Nu heeft ze normaal gesproken al haar bak leeg voor je je omgedraaid hebt om je schoenen te pakken, dus over die eetlust maakten we ons niet echt zorgen.
Tot gisteren.
We waren bij het huis van schoonmama geweest om ons vakantievervoer Ducky terug te brengen en wat plantenbakken te fabriceren uit een grote plaat hout. Maylinn vind het geweldig daar, grote bergen zand om in te graven -je bent van oorsprong mollenvanger en jachthond of niet-, een weiland met koeien die eigenlijk banger zijn voor haar dan zij voor hen maar wat zij nog niet doorheeft en vooral een heel groot erf om over rond te rennen. Dat rennen mocht ook weer, zo twee dagen na de operatie en zou mooie afleiding zijn. Maar eenmaal thuis bleek haar wondje toch te lekken.
Niet echt open, maar een beetje lekkend. En wat lekt, daar moet gelikt worden. Veel gelikt. En dat mocht nu juist niet.
Nu heeft mevrouw een kraag.
Zo'n mooi plastic ding om haar hoofd waarmee ze theoretisch niet bij de wond zou kunnen komen. En mevrouw vind het niets.
Ze loopt tegen de tafel op, snapt niet hoe ze op een botje moet kauwen nu ze het niet mer haar pootjes vast kan pakken en kijkt mij aan met uiterst zielige ogen alsof ik persoonlijk de oorzaak ben van al haar ongemak.
Het is beter voor je, zeg ik, en knuffel haar.
Geef nog maar een snoepje, om mijn eigen slechte geweten af te kloppen.
Overlaad haar met aandacht omdat ik niet wil dat ze mij enkel ziet als degene die haar de kraag omdeed maar ook als het lieve baasje wat ik gisteren nog was.
En krijg als reactie een zielig piepend hondje in de hoek van de kamer, die zich overduidelijk miserabel voelt.
Ik weet het, dit is onderdeel van het volwassen zijn. Je kinderen iets naars aandoen omdat het beter voor ze is, omdat de dokter zegt dat het moet, en je daar niet rot en onzeker over voelen.
Maar o wat is het moeilijk...
Of nu ja, gecastreerd, daar geen dierenarts doet aan 'echt' steriliseren en maar meteen de hele mikmak verwijdert.
Ik bracht haar om elf uur, en haalde haar al om twee uur weer op. Waar mijn andere honden ietwat suf waren sprong ons meisje direct tegen ons op en ook van enige misselijkheid met eten bleek ze geen last te hebben. Nu heeft ze normaal gesproken al haar bak leeg voor je je omgedraaid hebt om je schoenen te pakken, dus over die eetlust maakten we ons niet echt zorgen.
Tot gisteren.
We waren bij het huis van schoonmama geweest om ons vakantievervoer Ducky terug te brengen en wat plantenbakken te fabriceren uit een grote plaat hout. Maylinn vind het geweldig daar, grote bergen zand om in te graven -je bent van oorsprong mollenvanger en jachthond of niet-, een weiland met koeien die eigenlijk banger zijn voor haar dan zij voor hen maar wat zij nog niet doorheeft en vooral een heel groot erf om over rond te rennen. Dat rennen mocht ook weer, zo twee dagen na de operatie en zou mooie afleiding zijn. Maar eenmaal thuis bleek haar wondje toch te lekken.
Niet echt open, maar een beetje lekkend. En wat lekt, daar moet gelikt worden. Veel gelikt. En dat mocht nu juist niet.
Nu heeft mevrouw een kraag.
Zo'n mooi plastic ding om haar hoofd waarmee ze theoretisch niet bij de wond zou kunnen komen. En mevrouw vind het niets.
Ze loopt tegen de tafel op, snapt niet hoe ze op een botje moet kauwen nu ze het niet mer haar pootjes vast kan pakken en kijkt mij aan met uiterst zielige ogen alsof ik persoonlijk de oorzaak ben van al haar ongemak.
Het is beter voor je, zeg ik, en knuffel haar.
Geef nog maar een snoepje, om mijn eigen slechte geweten af te kloppen.
Overlaad haar met aandacht omdat ik niet wil dat ze mij enkel ziet als degene die haar de kraag omdeed maar ook als het lieve baasje wat ik gisteren nog was.
En krijg als reactie een zielig piepend hondje in de hoek van de kamer, die zich overduidelijk miserabel voelt.
Ik weet het, dit is onderdeel van het volwassen zijn. Je kinderen iets naars aandoen omdat het beter voor ze is, omdat de dokter zegt dat het moet, en je daar niet rot en onzeker over voelen.
Maar o wat is het moeilijk...
dinsdag, augustus 14, 2007
Groeicapaciteiten.
In het kader van het milieu en de financiën besloten Nanne en ik om één van de twee auto's weg te doen. Hij gaat met de brommer naar zijn werk en ik rij voornamelijk in de stad dus daar hebben we er helemaal geen twee voor nodig. Om te kijken welke van de twee er het best aan toe was brachten we ze beiden naar mijn garage die dan na wat speurwerk tot een deskundig advies zou komen welke auto het best voor het milieu, het zuinigst voor de portomonnee en de langst levend zou zijn.
De garage meldde dat beide auto's op het punt van sterven stonden.
Mijn mooie Taya moest voor meer dan duizend euro onder het mes en Nanne's opel kon pas na een injectie van ettelijke honderden weer veilig door de APK en de weg op.
Nu wilden wij toch al een nieuwe auto.
Nog niet gelijk, maar als ik zwanger zou zijn.
Mijn ervaringen met Lyka en mezelf dubbelvouwen als je met kind en autostoeltje een auto zonder achterdeuren in wilt lieten mij achter met een sterke drang naar een voertuig met meer dan genoeg deuren. En ons beiden kilometervreters hadden er maar twee.
We vroegen wat rond, spraken met de garage en keken op internet.
De garage had wel wat, elf jaar oud, groot en met genoeg ruimte om zeker drie kinderen en de hond erin te proppen. We overlegden nog wat, bekeken de mogelijkheden voor trekhaken en het inruilen van onze oude auto's en maakten een afspraak voor een proefrit. De proefrit was een succes, ik ben zeer positief over het gebruik van stuurbekrachtiging daar ik zo niet meer met mijn hele lijf aan het wiel hoef te hangen om in te parkeren en we namen met een positief gevoel afscheid van de garage.
Nadat we de verzekering belden en erachter kwamen dat grote auto's helemaal niet zo heel duur zijn in verzekeren als je maar genoeg schadevrije jaren hebt zeiden we definitief 'ja' tegen de garage.
Volgende week is hij klaar.
Hij -wonderbaarlijk hoe de grootte van iets bepaald of het een jongen of een meisje wordt- gaat Tyko heten en heeft een mooi Tylani kleurtje: zwart.
En dus kunnen we op vijfentwintig augustus pronken bij de Efteling met ons nieuwe speeltje. Met airco, op drie manieren verstelbare stoelen, centrale deurvergrendeling en alarm, elektrische ramen en buitenspiegels, stoelverwarming en kooiconstructie.
Dat de auto in ruil voor dat alles een slagschip is van vier meter tachtig lang.. mwah, dat is bijzaak. Voor kinderen koop je immers alles op de groei...
De garage meldde dat beide auto's op het punt van sterven stonden.
Mijn mooie Taya moest voor meer dan duizend euro onder het mes en Nanne's opel kon pas na een injectie van ettelijke honderden weer veilig door de APK en de weg op.
Nu wilden wij toch al een nieuwe auto.
Nog niet gelijk, maar als ik zwanger zou zijn.
Mijn ervaringen met Lyka en mezelf dubbelvouwen als je met kind en autostoeltje een auto zonder achterdeuren in wilt lieten mij achter met een sterke drang naar een voertuig met meer dan genoeg deuren. En ons beiden kilometervreters hadden er maar twee.
We vroegen wat rond, spraken met de garage en keken op internet.
De garage had wel wat, elf jaar oud, groot en met genoeg ruimte om zeker drie kinderen en de hond erin te proppen. We overlegden nog wat, bekeken de mogelijkheden voor trekhaken en het inruilen van onze oude auto's en maakten een afspraak voor een proefrit. De proefrit was een succes, ik ben zeer positief over het gebruik van stuurbekrachtiging daar ik zo niet meer met mijn hele lijf aan het wiel hoef te hangen om in te parkeren en we namen met een positief gevoel afscheid van de garage.
Nadat we de verzekering belden en erachter kwamen dat grote auto's helemaal niet zo heel duur zijn in verzekeren als je maar genoeg schadevrije jaren hebt zeiden we definitief 'ja' tegen de garage.
Volgende week is hij klaar.
Hij -wonderbaarlijk hoe de grootte van iets bepaald of het een jongen of een meisje wordt- gaat Tyko heten en heeft een mooi Tylani kleurtje: zwart.
En dus kunnen we op vijfentwintig augustus pronken bij de Efteling met ons nieuwe speeltje. Met airco, op drie manieren verstelbare stoelen, centrale deurvergrendeling en alarm, elektrische ramen en buitenspiegels, stoelverwarming en kooiconstructie.
Dat de auto in ruil voor dat alles een slagschip is van vier meter tachtig lang.. mwah, dat is bijzaak. Voor kinderen koop je immers alles op de groei...
Weer terug.
We zijn al een week thuis.
Het huis is nog steeds niet helemaal zoals het zou moeten zijn en alle half uitgeruimde tassen staan in de kamer van Lyka, als we ze niet zijn ergeren we ons er niet zo aan is het idee. Jammer alleen dat ze zo ook stukken minder snel uitgepakt worden. Maar ja, Lyka is nog op vakantie met Papa P., dus wat geeft het.
Nanne werkt weer, in ga straks voor het eerst in vijf weken weer naar de vereniging en hoewel ik morgen pas echt met werken begin werk ik vandaag maar vast de lading emails door die nu eenmaal meekomen met twee weken de boel de boel laten.
Als de zon nou maar scheen, dan zou ik vast wel zin hebben in dat alles...
Het huis is nog steeds niet helemaal zoals het zou moeten zijn en alle half uitgeruimde tassen staan in de kamer van Lyka, als we ze niet zijn ergeren we ons er niet zo aan is het idee. Jammer alleen dat ze zo ook stukken minder snel uitgepakt worden. Maar ja, Lyka is nog op vakantie met Papa P., dus wat geeft het.
Nanne werkt weer, in ga straks voor het eerst in vijf weken weer naar de vereniging en hoewel ik morgen pas echt met werken begin werk ik vandaag maar vast de lading emails door die nu eenmaal meekomen met twee weken de boel de boel laten.
Als de zon nou maar scheen, dan zou ik vast wel zin hebben in dat alles...
vrijdag, juli 27, 2007
Bijna in Frankrijk. (2)
Ooit kreeg ik een kunstgebit.
Iets met slechte glazuur en heel bang voor de tandarts. Met dat kunstgebit ging het beter, maar nog niet goed genoeg en toen besloten de tandarts en ik dat er een implantaat moest komen. Mooie roestvrij stalen staafjes in mijn mond waar je mooi je plastic tanden op kan klikken. Een beetje pijn, paar maandjes genezen, en nergens meer last van.
Dat was twee jaar geleden.
En nu had ik, ineens, pijn.
Natuurlijk was mijn tandarts met vakantie en ik volgde de routeplanner naar de vervanger in het volgende dorp.
Waar zit de pijn, vroeg hij, en wilde een foto. Zo'n ronde foto, waar de hele rits oorbellen er voor uit moest. Die hele kleine ronde oorbelletjes die ik met moeite in al die gaatjes bovenin mijn oor had gepropt. Nu ja, ik had pijn, dus het moest maar.
Je hebt een onsteking, zie hij, en gaf me een tube hele smerige gel. Doe maar poetsen die implantaten, dan gaat alles over. Drie dagen later leek het enkel erger geworden en reed ik weer terug. Tja, zei de tandarts, het lijkt inderdaad erger. Het IS ook erger, zei ik met een mond vol instrumenten. Morgen ga ik op vakantie, geef me iets, wat dan ook, dat dit over gaat.
Doe je gebit maar uit, zei de tandarts.
Uit?! Maar hoe moet ik dan eten?
Dan eet je toch vloeibaar, meldde hij en vond de zaak afgedaan. Ja, ho eens even.
Ik heb pijn. Pijn met hoofdletter P. En morgen ga ik op vakantie. Ik wil dat Dit Stopt! Na enig nadenken kreeg ik een doosje antibiotica mee. Maar vooral moest ik mijn gebit maar even een weekje uithouden, dat hielp vast.
De inval tandarts is maar een gewone tandarts. Niet eentje met veel verstand van implantaten. Maar ik probeerde het toch. En toen na tien uur de pijn niet minder werd deed ik mijn tanden maar weer in. Heerlijk, om zonder slissen te kunnen praten.
Ik ben begonnen met de penicilinekuur. Vijf dagen, heftig spul. Daar zouden alle bacteries wel van weg moeten gaan, rennend, vliegensvlug oprottend van daar in mijn mond. Ondertussen neem ik toch maar vier doosjes pijnstillers mee op vakantie.
Als je pijn in je kies hebt kan je hem laten trekken, of vullen, of laten wortelkanaalbehandelen. Ergens heb ik zo het idee dat het hebben van plastic tanden niet altijd een voordeel hoeft te zijn...
Iets met slechte glazuur en heel bang voor de tandarts. Met dat kunstgebit ging het beter, maar nog niet goed genoeg en toen besloten de tandarts en ik dat er een implantaat moest komen. Mooie roestvrij stalen staafjes in mijn mond waar je mooi je plastic tanden op kan klikken. Een beetje pijn, paar maandjes genezen, en nergens meer last van.
Dat was twee jaar geleden.
En nu had ik, ineens, pijn.
Natuurlijk was mijn tandarts met vakantie en ik volgde de routeplanner naar de vervanger in het volgende dorp.
Waar zit de pijn, vroeg hij, en wilde een foto. Zo'n ronde foto, waar de hele rits oorbellen er voor uit moest. Die hele kleine ronde oorbelletjes die ik met moeite in al die gaatjes bovenin mijn oor had gepropt. Nu ja, ik had pijn, dus het moest maar.
Je hebt een onsteking, zie hij, en gaf me een tube hele smerige gel. Doe maar poetsen die implantaten, dan gaat alles over. Drie dagen later leek het enkel erger geworden en reed ik weer terug. Tja, zei de tandarts, het lijkt inderdaad erger. Het IS ook erger, zei ik met een mond vol instrumenten. Morgen ga ik op vakantie, geef me iets, wat dan ook, dat dit over gaat.
Doe je gebit maar uit, zei de tandarts.
Uit?! Maar hoe moet ik dan eten?
Dan eet je toch vloeibaar, meldde hij en vond de zaak afgedaan. Ja, ho eens even.
Ik heb pijn. Pijn met hoofdletter P. En morgen ga ik op vakantie. Ik wil dat Dit Stopt! Na enig nadenken kreeg ik een doosje antibiotica mee. Maar vooral moest ik mijn gebit maar even een weekje uithouden, dat hielp vast.
De inval tandarts is maar een gewone tandarts. Niet eentje met veel verstand van implantaten. Maar ik probeerde het toch. En toen na tien uur de pijn niet minder werd deed ik mijn tanden maar weer in. Heerlijk, om zonder slissen te kunnen praten.
Ik ben begonnen met de penicilinekuur. Vijf dagen, heftig spul. Daar zouden alle bacteries wel van weg moeten gaan, rennend, vliegensvlug oprottend van daar in mijn mond. Ondertussen neem ik toch maar vier doosjes pijnstillers mee op vakantie.
Als je pijn in je kies hebt kan je hem laten trekken, of vullen, of laten wortelkanaalbehandelen. Ergens heb ik zo het idee dat het hebben van plastic tanden niet altijd een voordeel hoeft te zijn...
woensdag, juli 25, 2007
Uit. Terug op acht augustus.
Druk, druk, druk.
Ben aan vakantie toe.
Ow, wacht, dat gingen we ook.
Vrijdag.
Daarom is het nu zo druk.
Als ik vrijdag in de auto stap is alles over en in Frankrijk schijnt de zon.
Duimt u met me mee?
Ben aan vakantie toe.
Ow, wacht, dat gingen we ook.
Vrijdag.
Daarom is het nu zo druk.
Als ik vrijdag in de auto stap is alles over en in Frankrijk schijnt de zon.
Duimt u met me mee?
dinsdag, juli 24, 2007
Bijna in Frankrijk.
Hoe kan dat toch, dat het vorig jaar leek alsof ik in een luttel middagje alle vakantiespullen had ingepakt en dat ik nu, na twee uur zeer zware en noeste arbeid enkel het lijstje van Lyka's spulletjes heb afgewerkt?
Dat ik moeite heb met verhuizen is me inmiddels wel bekend. Om de een of andere reden brengt zelfs het inpakken van dozen om een kast te kunnen verplaatsen in mijn hoofd zoveel stress en onzekerheid met zich mee dat ik er liever ver van wegblijf.
Maar dat een vakantie inpakdag me al zoveel onrust oplevert is nieuw voor me. Of was het vorig jaar ook zo en ben ik het gewoon vergeten? Vorig jaar woonde Nanne veilig ver weg in zijn eigen huisje, en, hoewel ik in zijn huis ook spullen inpakte, leek de lijst van verleden jaar toch echt korter. Nu zou ik hulp kunnen krijgen, als ik het vroeg, maar vriendje werkt de hele dag en heeft dan in iets anders dan zware dingen uit de berging sjouwen weinig zin. Daarbij pakken vrouwen nu eenmaal veel efficiënter in dan mannen.
Wat er precies mis is met me is totaal onduidelijk. Ik tril en zweet en voel me ongelukkig. Zelfs doodmoe stilzitten op de bank is moeilijk, want er ligt nog zoveel. Het hondje wordt afgesnauwd als het niet luistert, ik ben opper dan op. En waar gaat het nu helemaal om? een paginaatje of drie aan excel sheets met rijtjes van in te pakken zooi erop. een kwestie van je huis doorlopen en alles in een tas mikken wat op je lijstje staat.
Volgend jaar ga ik hier mensen voor inhuren...
Dat ik moeite heb met verhuizen is me inmiddels wel bekend. Om de een of andere reden brengt zelfs het inpakken van dozen om een kast te kunnen verplaatsen in mijn hoofd zoveel stress en onzekerheid met zich mee dat ik er liever ver van wegblijf.
Maar dat een vakantie inpakdag me al zoveel onrust oplevert is nieuw voor me. Of was het vorig jaar ook zo en ben ik het gewoon vergeten? Vorig jaar woonde Nanne veilig ver weg in zijn eigen huisje, en, hoewel ik in zijn huis ook spullen inpakte, leek de lijst van verleden jaar toch echt korter. Nu zou ik hulp kunnen krijgen, als ik het vroeg, maar vriendje werkt de hele dag en heeft dan in iets anders dan zware dingen uit de berging sjouwen weinig zin. Daarbij pakken vrouwen nu eenmaal veel efficiënter in dan mannen.
Wat er precies mis is met me is totaal onduidelijk. Ik tril en zweet en voel me ongelukkig. Zelfs doodmoe stilzitten op de bank is moeilijk, want er ligt nog zoveel. Het hondje wordt afgesnauwd als het niet luistert, ik ben opper dan op. En waar gaat het nu helemaal om? een paginaatje of drie aan excel sheets met rijtjes van in te pakken zooi erop. een kwestie van je huis doorlopen en alles in een tas mikken wat op je lijstje staat.
Volgend jaar ga ik hier mensen voor inhuren...
zondag, juli 22, 2007
Een beetje Ceasar.
Dertien was ik, en jong en onbegrepen.
Ik had in die tijd geen vrienden, ik had mensen van wie ik afhankelijk was. Van wie ik mezelf afhankelijk maakte.
Ik wilde aandacht, hunkerde naar contact.
Wat ik daar voor moest doen of later echter, was me vokomen vreemd.
Ik belde niet op met de vraag om gezelllig langs te komen, nee, ik fietste die richting uit, en belde dan op vanaf een telefooncel om de hoek. Dan was ik al in de buurt, was mijn redenatie, en de kans dus kleiner dat ik afgewezen werd. Ik was zo bang voor afwijzing dat ik ooit, ook al was ik uitgenodigd, meer dan een uur op de stoep voor het huis van een vriendin gezeten heb bij haar verjaardag omdat ik niet durfde aan te bellen, tot K., een andere vriend, langskwam en me mee naar binnen nam.
Ik liep met mensen mee naar tramhalte of trein en moest, geheel toevallig, ook in de regio zijn waar zij naar toe moesten, zodat we nog wat konden blijven kletsen. Zo ging ik met de trein naar Dordrecht en Breda, en reed met de tram de hele stad rond. Misschien durfde ik niet te vragen of we een keer wat konden afspreken om wat te gaan drinken en wat kletsen. Misschien geloofde ik wel niet dat ze dat ooit zouden willen. MIsschien is dat laatste nog wel waar ook. Ik bleef een beetje vreemd, en ik denk dat mijn, vooral veel oudere vrienden, dat echt wel doorhadden.
Ik durfde eigenlijk alleen te bellen als er een probleem was, en als dat er niet was dan bedacht ik er wel een. Als je maar dramatisch genoeg om aandacht vraagt zegt er niemand nee.
Ik was een soort vogeltje, klein en zielig. Zo'n hertje met van die grote bruine ogen, alleen in de grote grote buitenwereld. Ik had geen idee hoe alles werkte en was wanhopig op zoek naar echt contact. Mijn manier van contacten aangaan was echter zo agressief dat ik de relatie grondig sloopte voor er ooit echte vriendschap was.
NIet dat ik de anderen wat aandeed of ze geen keuze liet, dat niet.
En het was ook niet zo dat het met vrienden nooit over normale puberzaken ging, school, het nieuwste computerspel voor de pc die nog niemand had, muziek, de politiek, want ik had nu eenmaal niet voor niets mijn vrienden binnen een politieke jongerenorganisatie, school en nog wat meer muziek.
In die tijd had ik geen idee dat het anders moest. Ik registreerde dat ik niet zo was als anderen, maar had geen idee wat ik met die wetenschap moest of kon en dus negeerde ik het weer. Tegenwoordig doet het pijn, wordt ik verdrietig als ik kijk naar de stunteligheden van toen, de moeite en tijd die ik erin stak om een beetje bij een groep te horen, vrienden te hebben en hoe ver die vrienden eigenlijk van dat woord afstonden. Het is genant, een beetje op de manier dat kijken naar Mister Bean genant is, plaatsvervangend en verlaat, om me te herinneren hoe ik het toen deed. Het heeft jaren geduurd voor ik doorhad dat je vrienden niet kon of hoefde te kopen. Dat een echte vriendschap inhield dat je je niet als een idioot hoefde te gedragen en dat ze dan, als alles goed was, toch min of meer bij je bleven. En het heeft nog heel wat meer jaren en diverse psychologen gekost voor ik er ook mee kon ophouden me als een idioot te gedragen.
Het is dus waarschijnlijk niet zo verwonderlijk dat P., toen ik haar laatst mailde, niet zo'n behoefte had om het contact weer aan te gaan. Wat in mijn ogen, toch gekleurd door de filters van die tijd, misschien wel heel onschuldig was, of mijn eigen onvermogen, kan heel anders op de ander overkomen, zo weet ik nu.
Ze was, nee is, zes of acht jaar ouder dan ik. Ik had enkel oudere vrienden, want de jongeren begrepen me niet. Misschien begrepen de ouderen me ook wel niet, en waren ze alleen beter in het verbergen...
De wetenschap dat je geen vrienden had omdat je er zelf niet toe in staat bent om ze te onderhouden is een ding. Maar geen vrienden hebben omdat je niet weet hoe je ze moet maken...
De realisatie nu, in goede tijden, is zoveel pijnlijker en mijn hart krimpt samen als ik denk aan het meisje van toen.
Maar o wat ben ik trots op de weg die ik sindsdien heb gelopen. Het Bergpad, de Mount Moeilijk, die ik beklommen heb en waar ik sinds jaar en dag een vlag op heb staan met de woorden:
Hier was Tylani, die kwam, zag, leed, en overwon.
Ik had in die tijd geen vrienden, ik had mensen van wie ik afhankelijk was. Van wie ik mezelf afhankelijk maakte.
Ik wilde aandacht, hunkerde naar contact.
Wat ik daar voor moest doen of later echter, was me vokomen vreemd.
Ik belde niet op met de vraag om gezelllig langs te komen, nee, ik fietste die richting uit, en belde dan op vanaf een telefooncel om de hoek. Dan was ik al in de buurt, was mijn redenatie, en de kans dus kleiner dat ik afgewezen werd. Ik was zo bang voor afwijzing dat ik ooit, ook al was ik uitgenodigd, meer dan een uur op de stoep voor het huis van een vriendin gezeten heb bij haar verjaardag omdat ik niet durfde aan te bellen, tot K., een andere vriend, langskwam en me mee naar binnen nam.
Ik liep met mensen mee naar tramhalte of trein en moest, geheel toevallig, ook in de regio zijn waar zij naar toe moesten, zodat we nog wat konden blijven kletsen. Zo ging ik met de trein naar Dordrecht en Breda, en reed met de tram de hele stad rond. Misschien durfde ik niet te vragen of we een keer wat konden afspreken om wat te gaan drinken en wat kletsen. Misschien geloofde ik wel niet dat ze dat ooit zouden willen. MIsschien is dat laatste nog wel waar ook. Ik bleef een beetje vreemd, en ik denk dat mijn, vooral veel oudere vrienden, dat echt wel doorhadden.
Ik durfde eigenlijk alleen te bellen als er een probleem was, en als dat er niet was dan bedacht ik er wel een. Als je maar dramatisch genoeg om aandacht vraagt zegt er niemand nee.
Ik was een soort vogeltje, klein en zielig. Zo'n hertje met van die grote bruine ogen, alleen in de grote grote buitenwereld. Ik had geen idee hoe alles werkte en was wanhopig op zoek naar echt contact. Mijn manier van contacten aangaan was echter zo agressief dat ik de relatie grondig sloopte voor er ooit echte vriendschap was.
NIet dat ik de anderen wat aandeed of ze geen keuze liet, dat niet.
En het was ook niet zo dat het met vrienden nooit over normale puberzaken ging, school, het nieuwste computerspel voor de pc die nog niemand had, muziek, de politiek, want ik had nu eenmaal niet voor niets mijn vrienden binnen een politieke jongerenorganisatie, school en nog wat meer muziek.
In die tijd had ik geen idee dat het anders moest. Ik registreerde dat ik niet zo was als anderen, maar had geen idee wat ik met die wetenschap moest of kon en dus negeerde ik het weer. Tegenwoordig doet het pijn, wordt ik verdrietig als ik kijk naar de stunteligheden van toen, de moeite en tijd die ik erin stak om een beetje bij een groep te horen, vrienden te hebben en hoe ver die vrienden eigenlijk van dat woord afstonden. Het is genant, een beetje op de manier dat kijken naar Mister Bean genant is, plaatsvervangend en verlaat, om me te herinneren hoe ik het toen deed. Het heeft jaren geduurd voor ik doorhad dat je vrienden niet kon of hoefde te kopen. Dat een echte vriendschap inhield dat je je niet als een idioot hoefde te gedragen en dat ze dan, als alles goed was, toch min of meer bij je bleven. En het heeft nog heel wat meer jaren en diverse psychologen gekost voor ik er ook mee kon ophouden me als een idioot te gedragen.
Het is dus waarschijnlijk niet zo verwonderlijk dat P., toen ik haar laatst mailde, niet zo'n behoefte had om het contact weer aan te gaan. Wat in mijn ogen, toch gekleurd door de filters van die tijd, misschien wel heel onschuldig was, of mijn eigen onvermogen, kan heel anders op de ander overkomen, zo weet ik nu.
Ze was, nee is, zes of acht jaar ouder dan ik. Ik had enkel oudere vrienden, want de jongeren begrepen me niet. Misschien begrepen de ouderen me ook wel niet, en waren ze alleen beter in het verbergen...
De wetenschap dat je geen vrienden had omdat je er zelf niet toe in staat bent om ze te onderhouden is een ding. Maar geen vrienden hebben omdat je niet weet hoe je ze moet maken...
De realisatie nu, in goede tijden, is zoveel pijnlijker en mijn hart krimpt samen als ik denk aan het meisje van toen.
Maar o wat ben ik trots op de weg die ik sindsdien heb gelopen. Het Bergpad, de Mount Moeilijk, die ik beklommen heb en waar ik sinds jaar en dag een vlag op heb staan met de woorden:
Hier was Tylani, die kwam, zag, leed, en overwon.
vrijdag, juli 20, 2007
Lekker vies.
Als je puppy na een half uur nog steeds de randen van je vette vloer likt, zou dat iets zeggen over de mate van schoonheid van de vloer, of over de intelligentie van de hond...?
Mate van belangrijkheid.
Onze keuken had vroeger een muur.
Omdat mijn scootmobiel Ea'van in de gang naast de keuken staat besloot ik het muurtje weg te (laten) halen en bleef er alleen bij de verwarming een stukje over waar ik een plank op timmerde. Het muurtje is onstabiel en wiebelig en behalve een doosje met pennen staat er nooit iets op.
Nanne besloot dat het een goed idee zou zijn om de frituurpan te laten afkoelen op dat instabiele muurtje. Dat muurtje waar ik drie keer per dag met Ea'van tegenaanrij om de gang in te komen. Omdat er te weinig ruimte is. De friturpan bleek niet zo bestand tegen een val van anderhalve meter. En twee liter vloeibaar vet bevolkte mijn keukenvloer. 's Ochtends, om vijf voor half negen, terwijl Nanne net weg was naar zijn werk.
Na mijn vriendje grondig vervloekt te hebben gooide ik een twintigtal theedoeken over de grond om sloot de katten en hond op in badkamer en bench. Ik bracht een half uur op mijn knieën op de keukenvloer door -wat nou mooie schone broek- en na wat extra liters afwasmiddel en een halve hernia leek de vloer wat minder plakkerig.
Het aanrecht staat vol met vette theedoeken en schoon te maken etensbakjes en ik vind dat die daar prima staan tot ik Nanne heb geknuffeld en de huid heb vol gescholden en hij het mag schoonmaken.
Maar wat ik eigenlijk het ergste vind is dat mijn gisteren met zoveel moeite en tijd perfect zwart gelakte nagels nu totaal geruineerd zijn...
Omdat mijn scootmobiel Ea'van in de gang naast de keuken staat besloot ik het muurtje weg te (laten) halen en bleef er alleen bij de verwarming een stukje over waar ik een plank op timmerde. Het muurtje is onstabiel en wiebelig en behalve een doosje met pennen staat er nooit iets op.
Nanne besloot dat het een goed idee zou zijn om de frituurpan te laten afkoelen op dat instabiele muurtje. Dat muurtje waar ik drie keer per dag met Ea'van tegenaanrij om de gang in te komen. Omdat er te weinig ruimte is. De friturpan bleek niet zo bestand tegen een val van anderhalve meter. En twee liter vloeibaar vet bevolkte mijn keukenvloer. 's Ochtends, om vijf voor half negen, terwijl Nanne net weg was naar zijn werk.
Na mijn vriendje grondig vervloekt te hebben gooide ik een twintigtal theedoeken over de grond om sloot de katten en hond op in badkamer en bench. Ik bracht een half uur op mijn knieën op de keukenvloer door -wat nou mooie schone broek- en na wat extra liters afwasmiddel en een halve hernia leek de vloer wat minder plakkerig.
Het aanrecht staat vol met vette theedoeken en schoon te maken etensbakjes en ik vind dat die daar prima staan tot ik Nanne heb geknuffeld en de huid heb vol gescholden en hij het mag schoonmaken.
Maar wat ik eigenlijk het ergste vind is dat mijn gisteren met zoveel moeite en tijd perfect zwart gelakte nagels nu totaal geruineerd zijn...
donderdag, juli 19, 2007
Televisieherinneringen.
Ooit was ik zestien.
Puber en recalcitrant. Opstandig en onwillig. Volwassen en kind. En vooral: in de war.
Ik woonde op kamers en was de link met de wereld kwijt. Zag geen toekomst, geen leven, geen zon. In een vlaag van wanhoop zwierf ik over straat, op zoek naar iets, wat dan ook, dat me zou kunnen verlossen van de onduidelijkheid.
Omdat mijn omgeving het wat minder eens was met mijn keuze om over straat te gaan zwerven, en waarschijnlijk vooral omdat ik -wanhopig als ik was- totaal geen respect toonde voor dingen als stoplichten of spoorwegovergangen, was de keuze om een tijdje tot rust te komen binnen de veilige muren van de psychiatrische instelling snel gemaakt. En zo kwam ik terecht op de Psychiatrische Afdeling van een Algemeen Ziekenhuis.
Een grote glazen deur met een slot, dan een verpleegsterspost en vervolgens veertig meter gang met helemaal aan het eind een soort huiskamer met rookhol. Dertig patiënten, twee verpleegkundigen die elke zes uur wisselden. De patiënten verschilden van overspannen tweeverdieners tot zeer verwarde mensen die probeerden met de plastic mesjes in hun polsen te snijden. Het gros van de groep zat de hele dag in een benauwd rookhol. Ik rookte ook, en dus verbleef ik ook in het door een grote draadglazen deur afgesloten deel van de 'huiskamer'. Samen met mij zat er nog een meisje, ook puber, iets ouder dan ik. Ze was depressief, vertelde ze, en manisch. Misschien had ze iets van een meervoudige persoonlijkheid, of hoorde ze stemmen. Ze vertelde dat ze hier 'gedwongen' zat, wat zoveel inhield dat de burgemeester een blaadje had getekend waarop stond dat ze tegen zichzelf beschermd diende te worden. Van suicidale gedachten misschien, of zelfdestructie. In ieder geval leek ze voor mij heel normaal. Ze praatte niet in zichzelf en probeerde niet met een plastic lepeltje een gat in het raam te zagen om te ontsnappen. Wel rookte ze veel, erg veel. En leek een bizar soort facinatie voor vuur te hebben.
Omdat je nu eenmaal niets te doen hebt in een ziekenhuis, ook niet op een psychiatrische afdeling, bedachten we een spelletje met elkaar, iets wat redelijk populair was onder rokende jongeren. Je neemt een vloeitje, zo een waar men tabak in rolt, en brand er een klein gaatje in met je sigaret of sjekkie. Vervolgens blaas je dat heel snel uit, in de hoop dat de rand niet scheurt. Dan is de volgende, die een nieuw gaatje maakt en uitblaast. Wie het eerste bij de rand van het vloeitje komt heeft verloren en moet volgens de overlevering het vloeitje opeten. Dat niemand dat laatste deel uitvoerde deed er weinig toe, en het was vooral een manier om hersenloos de tijd te doden.
Toen om half elf het licht uit moest zei ik weltrusten en liep ik door de meterslange gang naar de kamer die ik deelde met nog drie bedden maar gelukkig geen bewoners zodat de radio zachtjes aankon. Het meisje bleef nog wat laatste gaatjes maken.
De verpleging was daar overduidelijk niet zo van gediend. Half elf is half elf en bedtijd draagt niet voor niets die naam. Halverwege de gang kwamen er twee verplegers me tegenmoet lopen en bleken er rode lampjes te knipperen op de muur. Het brandalarm bleek afgegaan te zijn door onze gaatjes-maak-in-vloeitjes-actie. Terwijl ik mij omdraaide werd het meisje afgevoerd. Letterlijk afgevoerd, ze liep nog zelf, maar de manier waarop de twee verpleegkundigen met hun hand op het kastje aan hun riem om versterking te roepen meeliepen liet weinig ruimte over voor vrijwillige gedachten. Het meisje zelf leek geen idee te hebben waar ze naar toe moest en begon, heel pubers eigen, op steeds luidere toon om uitleg te vragen.
Aan het einde van de gang bleek een grote stalen deur die me eerder nog niet opgevallen was. De deur ging open door een grote stalen sleutel. Achter de deur lag nog een deur en daarachter een cel. Ik heb het meisje tot ik wegging vijf dagen later niet meer gezien. Wel gehoord. De eerste nacht huilde ze. De tweede nacht schreeuwde ze. De derde en de vierde dag was ze stil.
Er zat veertig meter tussen de grote stalen deur aan het begin van de gang en de huiskamer, waar het grootste deel van de dag alle patiënten, en dus ook de verpleging, rondhing. Het kantoortje van de verpleging zat halverwege de gang. De enige keren dat ik de verpleging naar de grote stalen deur heb zien lopen is als het eten werd gebracht.
Elf jaar later lijkt er nog weinig veranderd.
Netwerk kopt met de zin dat ons land het hoogste aantal separaties in de psychiatrie heeft van Europa. Separatie is een mooi woord om te zeggen dat je mensen opsluit in een cel omdat je niet weet wat je met ze aanmoet.
In dit geval een meisje, in de war, die even niet meer weet wat ze met haar leven aanmoet en of ze dat leven nog wel wil. Niet gek, niet raar, niet agressief of psychotisch. Het had mij kunnen zijn. In een cel, dagenlang, zonder contact of aanspraak of behandeling, omdat er een brandalarm afging. Omdat men bang was voor wat er zou kunnen gebeuren.
Wat zijn wij een wreed land.
Puber en recalcitrant. Opstandig en onwillig. Volwassen en kind. En vooral: in de war.
Ik woonde op kamers en was de link met de wereld kwijt. Zag geen toekomst, geen leven, geen zon. In een vlaag van wanhoop zwierf ik over straat, op zoek naar iets, wat dan ook, dat me zou kunnen verlossen van de onduidelijkheid.
Omdat mijn omgeving het wat minder eens was met mijn keuze om over straat te gaan zwerven, en waarschijnlijk vooral omdat ik -wanhopig als ik was- totaal geen respect toonde voor dingen als stoplichten of spoorwegovergangen, was de keuze om een tijdje tot rust te komen binnen de veilige muren van de psychiatrische instelling snel gemaakt. En zo kwam ik terecht op de Psychiatrische Afdeling van een Algemeen Ziekenhuis.
Een grote glazen deur met een slot, dan een verpleegsterspost en vervolgens veertig meter gang met helemaal aan het eind een soort huiskamer met rookhol. Dertig patiënten, twee verpleegkundigen die elke zes uur wisselden. De patiënten verschilden van overspannen tweeverdieners tot zeer verwarde mensen die probeerden met de plastic mesjes in hun polsen te snijden. Het gros van de groep zat de hele dag in een benauwd rookhol. Ik rookte ook, en dus verbleef ik ook in het door een grote draadglazen deur afgesloten deel van de 'huiskamer'. Samen met mij zat er nog een meisje, ook puber, iets ouder dan ik. Ze was depressief, vertelde ze, en manisch. Misschien had ze iets van een meervoudige persoonlijkheid, of hoorde ze stemmen. Ze vertelde dat ze hier 'gedwongen' zat, wat zoveel inhield dat de burgemeester een blaadje had getekend waarop stond dat ze tegen zichzelf beschermd diende te worden. Van suicidale gedachten misschien, of zelfdestructie. In ieder geval leek ze voor mij heel normaal. Ze praatte niet in zichzelf en probeerde niet met een plastic lepeltje een gat in het raam te zagen om te ontsnappen. Wel rookte ze veel, erg veel. En leek een bizar soort facinatie voor vuur te hebben.
Omdat je nu eenmaal niets te doen hebt in een ziekenhuis, ook niet op een psychiatrische afdeling, bedachten we een spelletje met elkaar, iets wat redelijk populair was onder rokende jongeren. Je neemt een vloeitje, zo een waar men tabak in rolt, en brand er een klein gaatje in met je sigaret of sjekkie. Vervolgens blaas je dat heel snel uit, in de hoop dat de rand niet scheurt. Dan is de volgende, die een nieuw gaatje maakt en uitblaast. Wie het eerste bij de rand van het vloeitje komt heeft verloren en moet volgens de overlevering het vloeitje opeten. Dat niemand dat laatste deel uitvoerde deed er weinig toe, en het was vooral een manier om hersenloos de tijd te doden.
Toen om half elf het licht uit moest zei ik weltrusten en liep ik door de meterslange gang naar de kamer die ik deelde met nog drie bedden maar gelukkig geen bewoners zodat de radio zachtjes aankon. Het meisje bleef nog wat laatste gaatjes maken.
De verpleging was daar overduidelijk niet zo van gediend. Half elf is half elf en bedtijd draagt niet voor niets die naam. Halverwege de gang kwamen er twee verplegers me tegenmoet lopen en bleken er rode lampjes te knipperen op de muur. Het brandalarm bleek afgegaan te zijn door onze gaatjes-maak-in-vloeitjes-actie. Terwijl ik mij omdraaide werd het meisje afgevoerd. Letterlijk afgevoerd, ze liep nog zelf, maar de manier waarop de twee verpleegkundigen met hun hand op het kastje aan hun riem om versterking te roepen meeliepen liet weinig ruimte over voor vrijwillige gedachten. Het meisje zelf leek geen idee te hebben waar ze naar toe moest en begon, heel pubers eigen, op steeds luidere toon om uitleg te vragen.
Aan het einde van de gang bleek een grote stalen deur die me eerder nog niet opgevallen was. De deur ging open door een grote stalen sleutel. Achter de deur lag nog een deur en daarachter een cel. Ik heb het meisje tot ik wegging vijf dagen later niet meer gezien. Wel gehoord. De eerste nacht huilde ze. De tweede nacht schreeuwde ze. De derde en de vierde dag was ze stil.
Er zat veertig meter tussen de grote stalen deur aan het begin van de gang en de huiskamer, waar het grootste deel van de dag alle patiënten, en dus ook de verpleging, rondhing. Het kantoortje van de verpleging zat halverwege de gang. De enige keren dat ik de verpleging naar de grote stalen deur heb zien lopen is als het eten werd gebracht.
Elf jaar later lijkt er nog weinig veranderd.
Netwerk kopt met de zin dat ons land het hoogste aantal separaties in de psychiatrie heeft van Europa. Separatie is een mooi woord om te zeggen dat je mensen opsluit in een cel omdat je niet weet wat je met ze aanmoet.
In dit geval een meisje, in de war, die even niet meer weet wat ze met haar leven aanmoet en of ze dat leven nog wel wil. Niet gek, niet raar, niet agressief of psychotisch. Het had mij kunnen zijn. In een cel, dagenlang, zonder contact of aanspraak of behandeling, omdat er een brandalarm afging. Omdat men bang was voor wat er zou kunnen gebeuren.
Wat zijn wij een wreed land.
Vakantieplanning.
Een beetje vakantie heeft een begroting.
Met allemaal nummertjes, zodat je in één oogopslag weet wat je hebt, wat je nog wilt uitgeven en of dat allemaal wel kan.
Een beetje begroting maak je met de begroting en de afrekening van het jaar ervoor.
We hadden er een gemaakt. Ergens.
Met afschriften kom je een heel eind en na enig speuren had ik een lijst bij elkaar van het geld dat we vorig jaar in Duitsland uitgaven. Omdat we, heel overzichtelijk, vooral veel contant deden had ik na al mijn gespeur nog steeds niet echt een idee waar we al dat geld dan aan gespendeerd hadden. Wat het maken van de begroting voor dit jaar niet echt makkelijker maakte.
Ik gokte het voedsel op acht euro de man per dag.
Berekende de benzine met hulp van 's lands grootste pechspecialist.
Gokte dat we dit jaar ongveer evenveel zouden rijden als vorig jaar. We gingen nu drie dagen langer weg, maar vorig jaar hadden we een miezerig klein tentje en goot het van de regen en nu zouden we met de luxe vouwwagen naar de zon.
Calculeerde de tolwegen mee in het geld voor de benzine.
Rekende het allemaal opnieuw uit omdat Ducky op diesel rijdt en niet op benzine.
Stopte de rest van het geld in het souvernirs/kastelen/overige potje.
Worstelde met Excel om het de numertjes te laten optellen.
Worstelde vervolgens opnieuw om de code voor aftrekken te vinden.
Vond hem niet en rekende het maar zelf uit.
Na twee uur had ik een lijstje met acht posten en een rij nummertjes.
Nu hoefde ik me enkel nog druk te maken over de inpaklijst -maar vier Excel werkbladen groot-, de te kopen geheugenkaart voor de camera -waarom hebben we een Merk dat alleen Merk in zijn lijf wil en niet iets wat merkloos voor een tientje te koop is?-, de kaart van het land waar we heen willen -heel praktisch bij Schoonmama te halen, maar die dient wel gehaald te worden- en de gids met de leuke kasteeltjes erin.
We gaan pas de zevenentwintigste weg.
Volgend jaar mag Nanne dit voor zijn rekening nemen...
Met allemaal nummertjes, zodat je in één oogopslag weet wat je hebt, wat je nog wilt uitgeven en of dat allemaal wel kan.
Een beetje begroting maak je met de begroting en de afrekening van het jaar ervoor.
We hadden er een gemaakt. Ergens.
Met afschriften kom je een heel eind en na enig speuren had ik een lijst bij elkaar van het geld dat we vorig jaar in Duitsland uitgaven. Omdat we, heel overzichtelijk, vooral veel contant deden had ik na al mijn gespeur nog steeds niet echt een idee waar we al dat geld dan aan gespendeerd hadden. Wat het maken van de begroting voor dit jaar niet echt makkelijker maakte.
Ik gokte het voedsel op acht euro de man per dag.
Berekende de benzine met hulp van 's lands grootste pechspecialist.
Gokte dat we dit jaar ongveer evenveel zouden rijden als vorig jaar. We gingen nu drie dagen langer weg, maar vorig jaar hadden we een miezerig klein tentje en goot het van de regen en nu zouden we met de luxe vouwwagen naar de zon.
Calculeerde de tolwegen mee in het geld voor de benzine.
Rekende het allemaal opnieuw uit omdat Ducky op diesel rijdt en niet op benzine.
Stopte de rest van het geld in het souvernirs/kastelen/overige potje.
Worstelde met Excel om het de numertjes te laten optellen.
Worstelde vervolgens opnieuw om de code voor aftrekken te vinden.
Vond hem niet en rekende het maar zelf uit.
Na twee uur had ik een lijstje met acht posten en een rij nummertjes.
Nu hoefde ik me enkel nog druk te maken over de inpaklijst -maar vier Excel werkbladen groot-, de te kopen geheugenkaart voor de camera -waarom hebben we een Merk dat alleen Merk in zijn lijf wil en niet iets wat merkloos voor een tientje te koop is?-, de kaart van het land waar we heen willen -heel praktisch bij Schoonmama te halen, maar die dient wel gehaald te worden- en de gids met de leuke kasteeltjes erin.
We gaan pas de zevenentwintigste weg.
Volgend jaar mag Nanne dit voor zijn rekening nemen...
woensdag, juli 18, 2007
Jeugdsentiment?
Over was ophangen gesproken,
wie heeft er bedacht dat knijpers in een plastic tasje, dat dan aan je pols hangt en waar je theoretisch dan bij elk kledingstuk een knijper uit kunt pakken, een goed idee is?
Mijn moeder had ooit een schort met een vakje, in gruwelijke groene jaren-zeventig kleuren, maar waar wel mooi alle knijpers inpasten. En wat niet afviel, scheurde of wegwoei, al die dingen die mijn plastic tasje wél doet.
Nooit gedacht dat ik ooit iets zou willen hebben wat mijn moeder had...
(nu ja, naast de bovenlader dan, want die is ook gewoon verschrikkelijk handig, en goed voor je rug bovendien...)
wie heeft er bedacht dat knijpers in een plastic tasje, dat dan aan je pols hangt en waar je theoretisch dan bij elk kledingstuk een knijper uit kunt pakken, een goed idee is?
Mijn moeder had ooit een schort met een vakje, in gruwelijke groene jaren-zeventig kleuren, maar waar wel mooi alle knijpers inpasten. En wat niet afviel, scheurde of wegwoei, al die dingen die mijn plastic tasje wél doet.
Nooit gedacht dat ik ooit iets zou willen hebben wat mijn moeder had...
(nu ja, naast de bovenlader dan, want die is ook gewoon verschrikkelijk handig, en goed voor je rug bovendien...)
Abonneren op:
Posts (Atom)